Ik ben zeven weken weg geweest. Naar Thailand. Met Marije en Koan. Op transitiereis, zoals ik het was gaan noemen. Koan was in november vier geworden en ik wilde dit moment markeren. De crèche ten einde, school opende zich voor hem. Ik zag vaak andere 4-jarige kindjes vrijdag nog op de crèche, terwijl ze aan iedereen vertelden hoe ze op maandag al naar school zouden gaan. Dat leek me nou niet fijn. Ik wilde iets anders.

Voor Koan, voor Marije, voor mezelf. Ik had tijd nodig. Om te vieren dat er iets heel erg goed gelukt was. Dankzij en ondanks mij. Een gezonde blonde jongen was goed geland op aarde. Stevige benen, krachtige handen, warm en nieuwsgierig hart. Hij had van mij een vader en van ons een gezin gemaakt.

Ik wilde de tijd hebben om hem aan te kijken. Om te zien wie zich had ontwikkeld tussen luiers verschonen en legoën. Ik wilde de tijd hebben om Marije aan te kijken. Om te zien wie de moeder van mijn zoon, met wie ik al die praktische perikelen steeds maar weer tot een goed einde had kunnen brengen, nog meer was. Wie wij samen waren als er even niets anders hoefde dan wat rondrijden, rijst eten en uitrusten op een ligbedje aan een bruisende branding onder een zomerse bries.

Nu ik terug ben kan ik zeggen dat dit allemaal gelukt is. Ik heb genoten van wat zich voor m’n ogen afspeelde. Marije en ik pelden ons laag voor laag af, geholpen door de traagheid van onze reis. En door het toelaten van alle kleuren die daarin langskwamen opende tussen ons een zachte, intieme stroom. En blondlokkenwuivende Koan leefde zo voor elk moment en elke plek. Volop nieuwsgierigheid: wat is hier te beleven? Met wie of wat kan ik spelen? Superinspirerend.

Eén iemand in het bijzonder dook onverwachts in m’n blikveld op. Een 46-jarige man die zich met van alles bezighield, maar daar zichzelf daarin ook steeds subtiel weg gaf. Steeds maar weer op weg was. Bleef zoeken. Het gevoel bleef houden dat het nog niet goed genoeg was. Dat er nog van alles moest gebeuren. Dat hij nog van alles moest worden. Meer. Beter. Rijker. Wijzer.

En aan een stil strand kwam deze man tot stilstand.

Werd hij schoongespoeld. Doorgewaaid.
Nam hij eindelijk de tijd voor zichzelf. Dat ene moment.
Hij zette zich aan een tafeltje, keek uit over zee en opende een vers blocnote.

Elke dag zat hij daar. Zichzelf neerpennend. De golven matchend met aanspoelende onderwerpen. Over man zijn, zoon zijn, vaderschap. Seks, verlangen, lust en plezier. Relaties en wat de kern daar misschien wel van is. Waarde, gemis, verlorenheid. Liefde en vrijheid.

En in dit schrijven kwam De Gloed. Zoet. Intens. Warm. Waarachtig. Ongeacht het onderwerp was het schrijven, met aandacht voor zichzelf en alles wat er in hem leefde, zo vervullend, dat hij er helemaal in opging. Nieuwe werelden openden. Nieuwe inspiratie leidde tot nieuwe verhalen, zowel beschouwingen over het echte leven als bijdragen aan de traditie van verhalen die ons vermaken, mogelijk iets in ons wakker maken waar we naar verlangen.

“Schat?” Zijn vrouw omhelsde hem. “Kom je ook nog een keer met ons op stap lieverd?” Een blonde jongen kroop bij hem op schoot. “Papa, wil je met me spelen?” Naar zo’n lieve uitnodiging draaide hij zich graag open. En hij liet de versontdekte wereld van het schrijven voor even achter zich, en stapte in die andere kostbare wereld, zijn gezin.

Zo belandde hij bij een woeste waterval. Hij kwam hier niet voor niks. Er wachtte hem hier een verrassing. Een verrassing die beide werelden onverwachts verbond. Onder een bruggetje lag het, maar bewoog het nou nog, of niet? Een voorzichtige stok bracht uitkomst. Het was niet de slang zelf, maar wel zijn vers vervelde huid. Nog warm, zolang je daar bij slangen over kan spreken. Twee meter huid van de slang der slangen: de Koningscobra. En na de eerste opwinding klikte er iets in hem: ‘Vervellen, dat is het. Ik ben aan het vervellen.’ Het werd branderig achter zijn ogen. ‘Met elke zin die uit me op het lege blocnote valt, komt er een scheurtje in mijn huid. Het vullen van het ene lege papieren vel verlost me van het andere oude lichaamsvel. Met elke onthulling die ik al schrijvend onder ogen kom, met elk verlangen wat ik creërend en wevend in taal baar, laat een stuk van m’n pantser los.’ Hij wreef over zijn arm. ‘En eronder is het ruw, open, raakbaar als een pasgeboren babytje.’ Hij dacht terug aan het krioelende wezentje wat hij in zijn handen had om negen voor drie ’s nachts in het OLVG. De vanzelfsprekendheid waarmee hij het koesterde. ‘Ik heb tijd nodig om te vervellen.’ Hij pakte de huid op, schoorvoetend, uitkijkend voor de slang die mogelijk nog in de buurt lag, bij te komen. “Koan, moet je eens kijken wat ik heb gevonden!”

Wie de boodschappen verstuurt in dit universum, wil zeker weten dat ze landen. De volgende dag kwamen zijn vrouw en kind terug van een wandeling naar de plaatselijke tempel. “Papa, kijk ik wat ik heb gevonden!” Opnieuw keek een cobrahuid die nog maar net verlaten was met lege ogen de man aan. Hij keek instinctief omhoog. “Oke, message received.”

Dus, mannen, ik vervel. Niet van de felle Thaise zon. Maar van m’n innerlijke Gloed. Een Gloed om te volgen, om ruimte voor te maken, elke dag opnieuw. Zo op het zwoele zomerzand van Koh Payam, en nu in de kille winterwind van Amsterdam.

Keep you posted.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *